14 augustus 2006

NLJD

René van den Berg vijf jaar achter tralies voor overtreding Wtk, oplichting en valsheid in geschrift
 
'Handig in spelen op menselijke hebzucht'

Rechtbank Amsterdam heeft vanmorgen uitspraak gedaan in de strafzaak tegen R.J. (René) van den Berg.

Zwitserse banktransacties, Nederlandse rechter bevoegd?

De rechtbank: 'Ingevolge art. 5 lid 1 sub 2 van het Wetboek van strafrecht is de Nederlandse strafwet van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als een misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het is begaan eveneens straf is gesteld.

De eis van dubbele strafbaarheid houdt in dat zowel in Nederland als in het buitenland hetzelfde rechtsgoed wordt beschermd. Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken en het door het openbaar ministerie verhandelde ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat op grond van art. 305bis van het Schweizeriches Strafgesetzbuch witwassen ook in Zwitserland strafbaar is gesteld, zelfs als het feit hoofdzakelijk in het buitenland is begaan.' (enz.) OM, officier van justitie ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.

Criminele herkomst geld

'De criminele herkomst vindt mede steun in de volgende feiten. Vaststaat dat verdachte op 25 april 2005 een bedrag à € 1.899.000,- contant op zijn rekening bij de bank Leu te Zwitserland heeft gestort. Deze contante storting is hoogst opmerkelijk mede gelet op de hoogte van dit bedrag en tegenstrijdig met de verklaring van verdachte die, gehoord over witwassen, bij de rechter-commissaris heeft verklaard zijn geldverkeer altijd via bankrekeningen te hebben laten lopen.

Bovendien zijn de door verdachte aangevoerde drie bronnen van herkomst van het gestorte geld: verkoop paarden, ontvangsten [persoon5] en [persoon6], in het geheel niet aannemelijk geworden. De opbrengst van de verkoop van paarden, waarvan verdachte ter zitting heeft verklaard dat die zich in Amerika zouden bevinden, is op geen enkele manier onderbouwd.

Getuige [persoon5] heeft verklaard nooit geld aan verdachte te hebben gegeven, hetgeen door verdachte per brief (D-245) als juist is bevestigd. De bewering van verdachte dat het geld voor het grootste deel van de vermeende [persoon6] afkomstig is, is bij gebreke van enige controleerbare onderbouwing, geheel onaannemelijk.'

Side letter

Door de verdediging is ter zitting aangevoerd dat [persoon1] de handtekening van verdachte onder de sideletter van 13 april 2005 (bijlage bij het proces verbaal verhoor [persoon1] bij de rechter-commissaris) zou hebben vervalst en mitsdien zijn verklaring ongeloofwaardig zou zijn.

De rechtbank kan dit standpunt van de verdediging niet volgen.

De strekking van deze sideletter gedateerd 13 april 2005, inhoudende dat de overeenkomst van geldlening tussen verdachte en MOC A.G. uitsluitend cosmetische bedoeling heeft, komt overeen met de feitelijke gang van zaken.

Immers heeft verdachte in overwegende mate zeggenschap gehouden over het door hem aan MOC A.G. overgemaakte/geleende geld. Op 27 april 2005 zijn betaalopdrachten opgemaakt gericht op een betaling door MOG A.G. van € 800.000,- aan de advocaat van verdachte en € 782.237,49 aan [notaris S. & H.], ten behoeve van de aankoop van een pand door Yucatan Nederland B.V.

Een dergelijke vergaande bemoeienis van verdachte met de besteding van het door MOC A.G. van hem geleende geld, staaft de door [persoon1] beweerde strekking van de sideletter dat aan de overeenkomst van geldlening geen reële betekenis kan worden toegekend.

Ongeacht de door verdachte betwiste handtekening is de rechtbank van oordeel dat de strekking van de sideletter in overeenstemming is met de feitelijke toedracht en mitsdien de werkelijke bedoeling van partijen weergeeft.' Zie ook de stramotivering hieronder, waarbij de AHOLD-vergelijking (uiteraard) niet gevolgd wordt door de rechtbank.

Vonnis

De Hilversumse zakenman en tennissponsor is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest wegens oplichting, bedrieglijke bankbreuk, deelname aan het plegen van valsheid in geschrift, overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en witwassen.

De bewezenverklaarde feiten en de opgelegde straf komen overeen met de eis die de officier van justitie had gevorderd.

Wettelijke bepalingen: de op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 225, 326, 341 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, op artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen en op de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten.

De rechtbank wilde ook een voorwaardelijke straf opleggen ter voorkoming van strafbare praktijken van de verdachte in de toekomst maar de wet liet dat niet toe.

Uitgebreide motivering van de straf, in zijn boekje zette René van den Berg zich af van (andere)bedriegers van naïeve beleggers

'De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De bewezenverklaarde feiten zijn alle het gevolg van en hangen samen met activiteiten die verdachte op het gebied van ongeautoriseerde financiële dienstverlening heeft ontplooid. Verdachte heeft een omvangrijk klantenbestand opgebouwd. Met die klanten handelde hij in privé door met hen overeenkomsten van geldlening aan te gaan zonder de daarvoor vereiste vergunning.

Verdachte wist als directeur-grootaandeelhouder van Intereffekt B.V. en Intervaluta B.V. -beide onder toezicht van de Stichting Toezicht Effectenverkeer /Autoriteit Financiële Markten vallende financiële instellingen- dat voor het bedrijfsmatig aantrekken van gelden een vergunning was vereist.

De uitbreiding van het klantenbestand en de daarmee gepaardgaande onstuimige groei van het bedrag van de aan verdachte toevertrouwde gelden werden teweeggebracht door, met gebruikmaking van zogenaamde tussenpersonen, handig in te spelen op menselijke hebzucht. Verdachte heeft van zichzelf het beeld van een solide en betrouwbare belegger geschapen, die zeer hoge rendementen op voorhand kon garanderen.

Om het beeld van wonderbelegger in stand te houden was het nodig de gelden van de aanzwellende stroom van nieuwe klanten aan te wenden ter uitbetaling van opeisbare leningen en gegarandeerde onwaarschijnlijk hoge rendementen. Daarnaast werden die gelden gebruikt voor, onder meer, provisies, het afdekken van verliezen binnen Intervaluta B.V., privé-uitgaven en om sportactiviteiten te sponsoren. Anders dan verdachte deed geloven en beloofde werd in ieder geval sedert het jaar 2003 in het geheel niet belegd.

Verdachte heeft de vooropgezette bedoeling gehad om zichzelf ten koste van het goedgelovige publiek te verrijken. In het mede door hem geschreven boekje over valutahandel zette hij zich af tegen het bedriegen van naïeve beleggers en etaleerde hij zich contrasterend als een solide en betrouwbare belegger onder het motto “better safe than sorry”.

Het is de verdachte zwaar aan te rekenen dat hij willens en wetens, op vergelijkbare wijze als waartegen hij in zijn boek waarschuwt, het publiek vervolgens zelf heeft bedrogen en gelden heeft verdonkeremaand.

Zoals te verwachten was, eindigde de piramidestructuur die de verdachte had opgezet in een financieel debacle. Er is een zeer aanzienlijk tekort in het inmiddels uitgesproken faillissement van verdachte vastgesteld. Naar het zich laat aanzien zullen de voorlopig erkende concurrente crediteuren nooit volledig kunnen worden bevredigd. Volgens de curator heeft verdachte een luxe leventje geleid van de hem toevertrouwde gelden.

Tot en met de laatste zittingsdag heeft verdachte tegen beter weten in volgehouden dat andere bronnen dan de geleende gelden toereikend zouden zijn om alle schuldeisers te betalen. De rechtbank hecht echter geen geloof aan deze beweringen. Van de gestelde beleggingen in Tsjechië via ene [persoon6] is niets anders gebleken dan dubieuze faxberichten die verdachte kennelijk met tussenkomst van een medegedetineerde heeft laten verzenden. Bovendien werden de beweerdelijke beleggingen in Tsjechië onderbouwd met valse documenten. De rechtbank verwijst het Tsjechië-verhaal dan ook naar het rijk der fabelen.

Aangetekend hierbij wordt dat eerder genoemde valse documenten door verdachte nota bene werden gebruikt om de rechter-commissaris in het faillissement, de curator en de Autoriteit Financiële Markten te misleiden. Op deze manier werd bij de gedupeerden de ijdele hoop op uitbetaling levend gehouden, hetgeen de rechtbank zeer hoog opneemt.

Verdachte heeft zich ten nadele van zijn relaties aanzienlijk verrijkt en groot persoonlijk leed berokkend. Zo zijn er slachtoffers die hun oudedagsvoorziening grotendeels in rook hebben zien opgaan. Er zijn ongeveer1440 gedupeerden met een gezamenlijke vordering van ongeveer € 127.000.000,-, de beloofde rendementen niet meegerekend.

Het vertrouwen dat men in het reilen en zeilen van de financiële sector moet kunnen stellen is geschaad.

Er is geld op (geheime) buitenlandse bankrekeningen gestort.

Verdachte heeft van misdrijf afkomstige gelden witgewassen.

De verwijzing door de verdediging naar de AHOLD zaak en de DEXIA/legiolease affaire strekken niet tot verdachtes voordeel. De AHOLD zaak niet omdat de achtergronden sterk verschillen ten opzichte van deze zaak; al was het maar omdat volgens de rechtbank de AHOLD verdachten niet uit waren op enig persoonlijk financieel gewin of voordeel en de DEXIA/legiolease affaire niet omdat daarin van een strafzaak zelfs (nog) geen sprake is.

Dat de gedupeerden goedgelovig waren en lichtvaardig handelden, werkt niet strafverminderend, omdat misbruik maken van vertrouwen niet behoort te worden beloond.

Aan verdachte worden de bewezenverklaarde feiten op grond van het psychologisch rapport volledig toegerekend.

De rechtbank oordeelt dit alles overziende de bewezenverklaarde feiten als zeer ernstig. Hoewel verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, is een aanzienlijke vrijheidsstraf passend en geboden.

In aanvulling daarop zou bovendien een voorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats zijn om de kans op herhaling te verminderen. Het in deze zaak van toepassing zijnde artikel 14a (oud) van het Wetboek van strafrecht laat dat echter gezien de duur van de op te leggen vrijheidsstraf niet toe.

Met het feit dat verdachte in faillissementsgijzeling heeft gezeten, wordt geen rekening gehouden. De rechtbank gaat niet mee met het betoog van de raadsman dat verdachte bij herleving van de faillissementsgijzeling een zwaarder dan gewoonlijk detentieregiem moet ondergaan en daarom milder moet worden gestraft. Verdachte heeft immers zelf in de hand of faillissementsgijzeling wordt toegepast of niet.'

Vonnis gewezen door mr. A.A.M. van Oosten, voorzitter, mrs. O.P.G. Vos en A.D. Belcheva, rechters.